De Geestelike, d. i. de Zedelik-Godsdienstige Waarde in het Katholiek Tooneelrenouveau

Aloïs de Maeyer, 1930-10


Source

De Pelgrim, 1930-10-00 pp. 76-82


Items that may be related to this text • More...

  1. ◼◼◻◻◻ Jan Boon: Tooneelrenaissance i... 1924
  2. ◼◻◻◻◻ Anton Van de Velde: "Moet Barbertje hang... 1930-02
  3. ◼◻◻◻◻ A.J.M. Wijdeveld: Wijdeveld: "Gudrun" ... 1930-07-11
  4. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Anton van de Velde: ... 1926
  5. ◼◻◻◻◻ J.B.: Nieuwsjes uit de too... 1929-03-25

Tooneel

De Geestelike, d. i. de Zedelik-Godsdienstige Waarde in het Katholiek Tooneelrenouveau

Het zal wel op geen tegenspraak meer botsen als we zeggen dat in de hedendaagsche kunst, vooral in literatuur en op tooneelgebied, de geestelike waarden en het betrachten derzelve naar het voorplan is gedrongen. Dat wil niet zeggen dat de kwantiteit of ook de kwaliteit overwegend in dit teeken zou staan; alleen dat de verhouding tusschen de metafysisch-geestelike strooming en de materialistische, tusschen de tijdelike en de eeuwige, markanter is geworden naar het evenwicht toe, zoo op stuk van produktiviteit als op dat van innerlike waarde. Die manifestatie, of beter zelfs, die onverholen belijdenis is er nog sterker op geworden sedert den oorlog die de diametraal tegenoverstaande levensopvattingen scherper heeft opgesteld en de protagonisten van weerszijden zich schrapper of driester heeft doen schoren. Tegenover de stijgende onbeschaamdheid in het uitstallen van en het prachen om de stof, staat een gezond-stoutere durf in dienst van den geest. De tegenstellingen zijn schriller, harder, derhalve ook duideliker en doelmatiger. Wij zelf ronden ook niet af om te klaarder inzet en beteekenis van dien strijd op het levensplan te omlijnen.

Het spreekt dat op dit stuk het Katholicisme, met de zekerheid van zijn dogma, een niet te loochenen voorsprong had op alle andere geestesoriëntaties. Had het vóór den oorlog zienlik niet veel bijgedragen of geholpen tot het positie-nemen, na die nivelleerende "Umwertung" zou het te kordater zijn houding vaststellen, zijn recht op prioriteit in den tijd en in de ruimte doen gelden, en algauw een rang innemen meer overeenkomstig met zijn waarde.

Dit ook op tooneelgebied en niet het minst bij ons, in Vlaanderen, waar de bedrijvigheid op en rond de plankenwereld te rumoeriger was naarmate ze langer jaren vóór den oorlog bloedloos en zonder veerkracht had gevegeteerd.

Van meet af zette het renouveau hier in onder het teeken van het godsdienstig-katholieke.

De groote omwenteling -- want voor Vlaanderen kan, in tooneelzaken, moeilik spraak zijn van geleidelikheid en ontwikkeling, ondanks de niet te miskennen verdiensten van de oude garde uit den vóóroorlogschen tijd, en nog meer die van Dr. De Gruyter, -- de groote omwenteling kwam in 1923-24, op het oogenblik dat het expressionisme in Duitschland heette uit te zijn en vaste grondslagen heetten gevonden voor wat later het "gesteigerte Realisme" zou worden genoemd. Reinhardt heette de principiëele overwinnaar, en nti, na zes jaar, worden die bevindingen nog bekrachtigd. In het licht van dit feit of van dit historisch moment moet de verdere ontwikkeling van het tooneel in Vlaanderen worden bekeken om tot een juist oordeel te geraken. Want Vlaanderen dat in dezen geen onmiddellike vóórgeschiedenis had gekend (nog eens is dit niet bedoeld als kleineeren van de werkelik volksopvoedende -- wilt u liever: volksonderhoudende beteekenis van het vóóroorlogsche geslacht) kon ook niet dadelik aansluiting vinden bij wat op dat oogenblik als bereikt kon worden beschouwd ; moest integendeel grijpen naar... het touw, langs waar het zich ophijschen kon, zich opwerken tot het wezenlike tijdsplan. Zoo kwam het dat Vlaanderen, in korten tijd, al de ontdekkingen moest doen waar het buitenland jaren had over gedaan ; zoo kwam het dat voor een oppervlakkig toeschouwer, Vlaanderen telkens toch weer scheen achterna te hinken, waar het integendeel met zevenmijllaarzen het achterstallige aan het inhalen was. Feit bleef niettemin dat het schier nooit "à la page" kon heeten met de rest van Europa, waar zijn uitzonderlike bedrijvigheid, zijn gezonde levendigheid toch aller oogen en aller aandacht trok. De dualiteit van dit verschijnsel, niet te ontkomen, had, zooals gezegd, zijn historische reden -- voor wat de achterstand betreft --, en een psychologische, gegroeid uit de zekerheid die de apostolaatsidee, zoowel de zuiver godsdienstige als de cultureel-nationale, meebracht -- voor de doelbewuste en beslist-boeiende bedrijvigheid.

De programmaverklaring van het katholieke tooneelrenouveau hier te lande -- parallel met de tooneelvernieuwing daarbuiten -- was ook hiei tweeledig: loutering van den inhoud, loutering van den vorm.

Principieel, het kan niet ontkend, wou de heele aktie in het teeken van het Gheon-streven staan, wat nog niet zeggen wil: Gheon-kunst, en de pioniersfiguur van notaris Thuysbaert met zijn schamele, maar doelbewuste en edelmoedig-nastrevende troep blijft het zuiverste symbool van de heele beweging: apostolaat langs schoonheid, in en door schoonheid. Zijn positie en zijn resultaten kunnen nog lang omstreden blijven. Toch gaf hij werkelike schoonheid, was ze dan ook niet altijd heelemaal gaaf, en zijn doorzetten heeft die heele grandiose strooming in gang gebracht waar, onze beste liefhebbers, en aan de spits het Katholieke Vlaamsche Volkstooneel, reeds zes lange jaren, de meest schitterende illustratie van hebben gegeven. Het standpunt van notaris Thuysbaert kan -- tijdelik -- overwonnen heeten; zijn eerste reëele triomf, in de creatie van De Bedelaar onder de Trap, door de katholieke gilde van Sint-Niklaas, kan het einde van zijn specifieke streven hebben onderlijnd: toch zou de moderne tooneelbeweging in Vlaanderen niet geweest zijn wat ze nu is; niet dié wegen, zelfs niet in hun afwijking, zijn opgegaan welke ze nu bewandelt, zonder zijn pioniersarbeid.

Onderzoek van wat in feite werd verwezenlikt, werd reeds te dikwijls ingesteld dan dat we het hier weer zouden over doen. Summa summarum komt het neer op een verhooging van het kunstgehalte en een uitzuivering van de plankenatmosfeer; dit laatste negatief, door uitschakeling van onhebbelikheden en al te doorzichtige neutraliteit; positief, door inschakelen van het godsdienstig-zedelijk element, het betrekken van het bovennatuurlike in het tooneel-levensgebeuren, het in eere herstellen van het gewijde spel, als kunstgenre dan mede berekend, langs het volksspel en de folklore óm en óp.

De beurt mocht nu wel even gegund aan een onderzoek over wat, in terugblik op de eerste belijdenissen, op de eerste programmaverklaring en het eerste betrachten, nog niet werd bereikt.

Hier moeten we onomwonden durven te besluiten tot een deficit van het zuiver autochtone katholieke tooneelstuk, d.i. de brok leven, doordeesemd van katholieke levensbeschouwing; d.i. het eeuwig terugkeerende konflikt van katholiek oogpunt uit bekeken, behandeld en beleefd.

Men versta niet verkeerd. Absoluut genomen hebben we, op het plan van modern katholiek tooneel, eerste-krachts-menschen. Anton Vande Velde met zijn "Zonderlinge Gast", zijn "Christoffel" en zijn "Tijl", met zijn "Lotje", en, waarom zou het niet zijn, met zijn "Lutgardis" en zijn "Halewijn" kan, voor struktuur als voor visie, taal en rhythme, naast het representatieve in het buitenland best in aanmerking komen. Vansina, die als ideoloog in zijn tetralogie opkwam, ontpopt zich in zijn "Adam" en misschien nog meer in zijn "Messias" tot een zeer sterk dramatische natuur met zeer groote spelkwaliteiten, al zou hij het gejaagde in verstechniek en spelstruktuur, het dynamische van Vande Velde niet bereiken. Hier geldt eenigszins de tegenstelling dramatragedie tegenover theater-spel. Daarnaast konden nog wel enkele andere genoemd en dan mocht wel een oogenblik stilgestaan bij de zeer uitzonderlike figuur Michel de Ghelderode wiens "Franciskus" en "Barabbas" alvast een zeer diepgodsdienstige kern bezitten.

Als we hier echter gewagen van "deficit" is het dan ook op zeer beperkt terrein, op wat een tijd de "comédie des mœurs" werd geheeten -- of erger: "théâtre d'amour". Men onderschuive ons dus niet een miskenning die allerminst in onze bedoeling ligt.

We mogen het overdreven vinden waar het luidt dat "en somme, il n'y a qu'un thème de théâtre... ; we mogen er zelfs fier op gaan, heusch fier en rechtmatig, dat het doodvervelend driehoeksmotief, alvast principieel, van onze scènes werd verbannen; dat onze meest gevierde troep leefbaarheid, frischheid en hooge kunst--en ten slotte: welverdienden roem -- wist te verwerven en te dragen, alhoewel het liefdeselement, en altijd zeker de ziekelike en ongezonde, beslist werd geweerd. Toch moet erkend dat dit probleem een van de meest domineerende is in het alledagleven, en dat het zijn druk doet voelen aan enkeling en maatschappij ; dat dus ook de katholieke levensbeschouwing er telkens weer komt tegenover te staan. Derhalve zou het niet alleen kunnen gewenscht heeten, maar zelfs noodzakelik, het van katholieke zijde uit te beschouwen, te behandelen en tot een oplossing te voeren. Die behandeling en die oplossing wordt dan niet bedoeld als een zuiver moraal-theologische: immers kan er geen twijfel bestaan dat het Katholicisme hierop principiëele uitkomst en bevredigmg geeft. Wat hier echter wordt bedoeld is een psychologisch-tooneelmatige en een kunstoplossing, en diè gedragen op de eeuwige zekerheden van ons Geloof en onzen Godsdienst. De barning van de driften, het tegeneen botsen van karakters, het tragisch-schrijnende en het ziels-schreiende van toestanden en levensgebeuren bestaat ook voor den katholiek en voor de katholieke levensbeschouwing, maar voor dezen dan onafscheidbaar verbonden met de onverbreekbare verhouding van mensch tot God, zijn Schepper, met de niet te ontkomen wet van goed en kwaad, van loutering en boete. Het louter matriëele feit is het feitelik overheerschende onderwerp in de tooneeluitbeelding; hetzelfde feit, maar in zijn eeuwigheidswaarde en onder eeuwigheidsbelichting, is het niet veranderde, maar uitgediepte en blijvende tooneelonderwerp, zooals het door den katholiek moet bekeken, moest behandeld en uitgebeeld. En dat liep vooralsnog spaak, om niet te zeggen dat het faliekant uitviel.

Op de keper beschouwd ken ik voor Nederland maar drie pogingen waarvan hier terloops een korte karakteristiek.

"Van Hemelsche Banden" van W. Nieuwenhuis. Psychologisch vrij sterk, uitgerafeld zelfs. Maar die psychologie is vooral in "redeneeringen" opgedischt. In zijn beste deelen is het een praatstuk; geestelik en naar het leven is het te "flou", wat ik zou zeggen te "Fransch". D'r zit geen diepte onder het dialoog en met wat gezegd wordt is het uit. Alleen de mystische, symbolische figuur van de "zuster" reikt over de woorden heen. Hier ligt overigens het direkte aanknoopingspunt met het "bovenaardsche" voorspel. De truc is te doorzichtig en tevens niet klaar genoeg. Het spel van den "engelbewaarder"? Maar waar en hoe? Dit voorspel is ook het eenige moderniseerende in dit vrij realistische stuk. Konstruktief is het vieux jeu, al is het knap. De motieven echter zijn niet zuiver gehouden en allerminst de geestelike en de moderniseerende. Het is meer een "apologetisch" stuk dan een katholieke levensgebeuren. Het is een goed stuk, maar zonder te voldoen aan de eischen van den dag.

In Vlaanderen kregen we De Vuurproef van Delbeke-Walschap. Kan al evenmin geslaagd heeten, allerminst in zijn symbolische zielestrijd. Het gewild moderniseeren is hier koud en futloos; het is allegorie en symbool op zijn slechtst; middeleeuwsche rederijkkunst van de laatste dekadentie: niet vergroeid met het geheel, niet levend op zichzelf, althans niet tooneelmatig. Geestelik valt er moeilik over te oor deelen. A priori kan het gewaagd heeten "het" thema van katholiek standpunt uit over een tetralogie te behandelen. Het zal natuurlijk moeilik zijn beslag krijgen in ieder van de vier deelen, tenware men opzettelik de redelikheid, de onaantastbaarheid van de katholieke oplossing voor ieder der vier levenstijden (?) wou doen opleven. Behoudens dat lijdt de overzichtelikheid onder de vierdeelige verstrooiing, en dat vooral praktisch, vermits zelden de vier deelen samen zullen gaan in één gesloten reeks van vertooningen. Wat dan voor het publiek dat juist het deel van den ondergang zou zien? En is dit niet voor een groot part het geval met "De Vuurproef"? Zooals het daar voor ons ligt kan het geen bevrediging geven, en het is nu reeds vijf jaar... Ons oordeel zou dus gerust zeer streng mogen zijn, zoowel op scenisch -- vooral in het meest moderniseerende deel -- als op ideëel gebied.

Het derde stuk is van Willem Putman. Het heet "Drie", speelt over drie bedrijven en tusschen drie personen. Het is een opzettelik behandelen van "het"(?) onderwerp, maar met een eerlik betrachten het van een katholieke levensbeschouwing uit te belichten. De vriend weerstaat aan de verleiding op grond van zijn traditioneele, toch ook eenigszms zelf-verantwoorde, levensovertuiging, t.t.z. op grond van zijn Geloof, een oogenblik schuilt er iets van huichelarij door, iets van moeilik verbeten onmacht (of: on-durf?) al kan dit best buiten de bedoeling van den auteur zijn. Waar die vriend nadien ten; onder gaat is de tegenpartij, door zijn vroegere principiëele houding en dezes toets aan het tusschentijdsche gebeuren, tot inkeer gekomen en weet nu zelf te overwinnen. Zij groeit, en dat juist door het grijpen naar een levensopvatting, waar hij schipbreuk lijdt door het vieren van diezelfde -- vroegere -- overtuiging. Men kan hierin het procédé van Putman achterhalen, zijn voorliefde voor het omkeeren van de verhoudingen naar het einde van het spel toe; zaak is of het groeit psychologisch en technisch artistiek. Ik geloof dat zulks voor een groot deel is bereikt. Het stuk wordt, vrijwel algemeen, als een van Putman's beste gehouden wat de struktuur betreft. Met het oog op de moeilikheden die de auteur zich zelf stelde is dit geen kleine verdienste. Psychologisch is de ontwikkelingslijn van het probleem, zooals ik ze even aangaf, door analyse van den tekst goed te achterhalen en te verdedigen van de eerste amorceering af in I tot haar finale beslag in III. Het kon gebalder misschien, nadrukkeliker in de oplossing. Alle bedenkingen over vermeende tekorten doen echter niets af aan de relatieve waarde van het geheel. Hoogstens kan men toegeven dat we ook hier nog niet "het katholieke" stuk kregen. Mijns dunkens kan het toch best als een voorbeeld van proef gesteld voor katholiek society-stuk, een brok leven voor realiteitsmenschen, van uit den katholieken levenshoek bekeken. Moderne regieproblemen, moderne bouw -- in den strikten zin -- vertoont het echter allerminst.

Buiten die drie stukken om, zie ik niets doorslaands. "Yacht Utopie" van Paul de Mont vind ik geestelik oppervlakkig voor wat het slot aangaat, al moet het een prachtbrok heeten voor het tweede bedrijf, en nog meer als men dan een tikje symbolisme aan de behandeling wil onderschuiven. "Halewijn" van Vande Velde blijft te vaag. Overigens zoowel hier als in "Barabbas" van De Ghelderode ligt een zeer sterke symbolische lijn: bij "Halewijn" die van het "Offer"; bij "Barabbas" meer die van zoen-in-boete, die naar hooge godsdienstige toppunten kon voeren. Ik kan onder meer niet begrijpen -- ik oordeel alleen op het hooren van den tekst bij een vertooning -- hoe ook maar één oogenblik kon getwijfeld aan den diep-katholieken zin van dit laatste spel. Misschien is het ook boven het betrachten van den auteur zoo uitgegroeid: objektief werd het ons zoo ten gehoore gebracht (onverlet van de regie) en mogen we het derhalve als dusdanig aanvaarden. Maar nog eens, hier gaat het om symbolen, zooals het bij Van Vlaenderen gaat om bijbelmystiek, bij Verschaeve om bijbeltragedie, bij Boon om liturgie en eucharistischen kruistocht, en elders om folklore en legende. Het direkt pregnante van het menschelik alledag-leven geloof ik alleen maar gevonden te hebben in hoogervermelde drie stukken.

Moeten we nu een oogenblik zoeken haar uitleg -- oorzakeliken of verklarenden -- van die carentie in zeer beperkten zin, dan konden we wel even stilstaan bij de onevenwichtige beteekenis die de regie heeft verkregen.

Dat wil nu geen pleidooi worden tegen al wat aan zeer voortreffeliks

werd bereikt. Ik vergeet vooral niet dat juist langs dien kant het tooneel in Vlaanderen een hoogte heeft bereikt waar we gewoon moeten blij en fier op gaan en die het buitenland ons benijdt; ik vergeet niet dat het juist langs die lijn is dat het katholieke tooneel zich heeft opgedrongen... Misschien overigens hadden we onze verwachtingen te hoog aangeslagen; te veel rekening gehouden met het onmiddelik tastbare resultaat; zijn we daardoor te veel geneigd al te gemakkelik tot een faljiet te besluiten; misschien... Toch moet toegegeven dat de "geestelike" vernieuwing, d.i. de vernieuwing van den geesteliken inhoud, niet gekomen is, en zeker niet in die mate als we hadden betracht en verlangd... Wij meenen dat we een al te overwegend belang zijn gaan hechten aan de regie, d.i., de veruiterliking, en zoo ten slotte, hals over kop ons gestort hebben in den poel dien we als te ontwijken in doel hadden vooropgesteld. Veruiterliken is toch zeer dikwijls gewoon "verstoffeliken". De regie was niet altijd geestelik genoeg, wat ten slotte zijn weerslag moest hebben op den inhoud of althans op de auteurs. We zijn versukkeld geraakt in de allegorie, dikwijls ziekelike allegorie, niet de kerngezonde zooals we die in de middeleeuwen, ondanks alle langdradigheden, kunnen vinden; maar in een aamechtige die levenloos over de planken heen kruipt. Hetzelfde geldt, en in nog hoogere mate, voor het symbool dat vaak te louter menschelik-zinnelik bleef; en niet min voor het folkloristische, dat vroeg of laat zal "ontdekt" worden als gewoon realisme te zijn, zoodat we vreemd zullen opkijken zoo lang tegen iets te hebben gestreden dat we ondertusschen zelf terug op de planken aan het stellen waren.

Als verweer kon men allicht aanvoeren dat er toch geen specifiek katholieke regie bestaat. Is ook nooit onze bedoeling geweest. Wat echter wel bestaat, móet bestaan, is de erkenning van katholieke princiepen, ook in de regie: evenwichtigheid tusschen geest en stof; zuiverheid van symbool; geestelikheid van de handeling: niet in iederen handomdraai, maar in het geheel en alvast in het uitbeeldende, d.i. symbolische gebaar. En wij gelooven niet dat dit alles kan gevrijwaard in de absolute negatie van het "woord", zelfs dan niet als de geestelike inhoud van een stuk dramatisch zou heeten achterhaald te zijn. Daar is een hiërachie in de waarden. Het "woord" heet den mensch toch gegeven als opperste uiting van zijn intellektuëele leven. In de negatie van hetzelfde schijnt ons die even vermelde hiërachie niet langer geëerbiedigd.

Zou er kentering komen? Sedert Brasschaet woedt de strijd rond dit punt op het hevigst. De alleenmacht van de regie schijnt ook bij ons uit te hebben, spijts de magistrale steigeringen die we af en toe krijgen. Wat vereischt is: "bezinning". Dank hieraan zal de auteur weer in aanmerking komen, maar krijgt hij dan zijn specifieke verantwoordelikheid: het scheppen van het gegeven, van de tooneelkern, van den tooneeltekst in verhouding tot de moderne eischen voor inhoud en vorm. Laten we hem ons vertrouwen gunnen en geve God dat hij het er zoo goed -- en duurzamer -- van af brenge als de regisseur op eigen terrein tot nog toe deed.

Een tweede punt dat mede in aanmerking kon genomen is, dat onze kringen niet genoeg inzien dat ze van hun taak een apostolaat moesten maken. Het bleven rederijkers die zich niet in dienst konden stellen van een hooger of louter geestelik doel, om dat dan ook konsekwent uit te leven. De godsdienstige opleving van tooneeltroepen zooals we dat in Frankrijk met een Jacques Debout en andere van dien aard kunnen volgen, is er hier nog verre van af. Het meest elementaire op dat gebied ontsnapt aan onze liefhebbers. Vooral de kleinere kringen, de patronaten schieten nog grootendeels te kort. Ik bedoel natuurlik niet dat ze daarom "verkeerdheden" zouden doén of dat de atmosfeer niet zou hebben bijgewonnen. Integendeel. Een sterke loutering, ethisch en esthetisch, is algemeen aanvoelbaar. Maar de meesten hebben zich niet kunnen bewust maken dat het hier ging om een sprong van het leven naar God toe, d.i., naar het katholieke leven in al zijn uitingen en konsekwenties, langs lijnen van schoonheid en kunst op plankenland. Het zijn uitzonderingen de kringen waar dat vlammetje nog flakkert of heeft geflakkerd. Want de beste zijn heel dikwijls ook het slachtoffer geworden van de fegiewoede in het opbod-tot-moderniseeren. Gelukkig schijnen er voorteekenen dat de goede gedachte in breedere kringen, in de eigenlike volkslagen, zou gaan doordringen. Met den drang naar tooneel en tooneelbeoefening die bij den minderen man, zoowel als bij den hooger ontwikkelden, het groeiende ontruimen van kino en sportplein zou manifesteeren, schijnt tevens parallel te loopen het verlangen het tooneel zelf op hooger, zuiverder en absoluter peil te voeren.

Zoo dragen de twee faktoren ten slotte bij tot een zelfde resultante: de terugblik naar den oorsprong. We hoeven niets te negeeren, kunnen gerust voortbouwen, te heerliker zelfs dat we ondertusschen vastere grondvesten hebben weten aan te leggen. Het geestelike kan te schitterender nagestreefd naarmate de artistieke voorbereiding rijker was. We herhalen dan ook den wensch van daar straks: Moge het even vruchtbaar zijn als op het terrein van de regie. Dit geve God voor Vlaanderen en voor de zielen.

Al. de Maeyer.

Nota van de Redactie. -- Daar wij het met schrijver van dit artikel, onder vele opzichten, niet eens zijn, laten wij het onder zijn eigen verantwoordelijkheid verschijnen.


Items that may be related to this text

  1. ◼◼◻◻◻ Jan Boon: Tooneelrenaissance i... 1924
    Willem Putman • Cyriel Verschaeve • Henri Ghéon • leven • Christoffel • vlaanderen • Anton Van de Velde • Vlaamsch Volkstooneel • katholieke • Jan Oscar De Gruyter • katholiek • De zonderlinge gast • tijd
  2. ◼◻◻◻◻ Anton Van de Velde: "Moet Barbertje hang... 1930-02
    Willem Putman • Jan Oscar De Gruyter • Paul de Mont • Anton Van de Velde • Vlaamsch Volkstooneel • Aloïs de Maeyer • (date-year) 1930 • Michel van Vlaenderen
  3. ◼◻◻◻◻ A.J.M. Wijdeveld: Wijdeveld: "Gudrun" ... 1930-07-11
    Anton Van de Velde • Jan Oscar De Gruyter • Christoffel • Vlaamsch Volkstooneel • (date-year) 1930 • vande velde • tijd
  4. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Anton van de Velde: ... 1926
    Anton Van de Velde • Christoffel • vlaanderen • Willem Putman • Tijl • De Vuurproef • De zonderlinge gast • tijd
  5. ◼◻◻◻◻ J.B.: Nieuwsjes uit de too... 1929-03-25
    Barabbas • Anton Van de Velde • Cyriel Verschaeve • Paul de Mont • Vlaamsch Volkstooneel • Jan Oscar De Gruyter • Halewijn
  6. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Cyriel Verschaeve: T... 1928
    Anton Van de Velde • Henri Ghéon • Christoffel • Willem Putman • Michel De Ghelderode • De zonderlinge gast
  7. ◼◻◻◻◻ Brunclair: De twee volkstooneel... 1930-01
    Anton Van de Velde • (date-year) 1930 • vlaanderen • Vlaamsch Volkstooneel • Jan Oscar De Gruyter • Tijl
  8. ◼◻◻◻◻ Anon.: Katholieke kunst en ... 1934-04
    Barabbas • Paul de Mont • Michel De Ghelderode • Aloïs de Maeyer • Michel van Vlaenderen • katholieke
  9. ◼◻◻◻◻ Willem Putman: Modernistische exper... 1938-11-30
    Barabbas • Anton Van de Velde • leven • Michel De Ghelderode • Vlaamsch Volkstooneel • dien • Halewijn
  10. ◼◻◻◻◻ Robert Erkens: Een onnoozel hart in... 1930-07
    Barabbas • oogenblik • Michel De Ghelderode • Vlaamsch Volkstooneel • dien • (date-year) 1930