Felix Rutten: "Beatrijs"

Lode Monteyne, 1926


Source

Lode Monteyne, Kritische Bijdragen over tooneel. Antwerpen: Ruquoy, Delagarde en Van Uffelen, 1926, pp. 167-179.


Items that may be related to this text • More...

  1. ◼◼◻◻◻ Lode Monteyne: Herman Teirlinck: "I... 1926
  2. ◼◻◻◻◻ Karel Van de Woestijne: TOONEEL IN VLAANDERE... 1925-02-23
  3. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Jac. Ballings: "Van ... 1928
  4. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Jef Horemans: "Slang... 1926
  5. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Ernest W. Schmidt: "... 1926

Felix Rutten

BEATRIJS

Felix Rutten, de Roomsch-Katholieke schrijver uit Hollandsen Limburg, heeft in Beatrijs, dat hij een mysteriespel in vier tafereelen heet, op zijn beurt een bewerking geleverd van de aloude middeleeuwsche Marialegende, waarvan de onverwelkbare schoonheid in gracievollen eenvoud reeds menig modern dichter had bekoord.

Aan de overzettingen in de Nederlandsche taal van dezen dag, door Aberdingk-Thijm, Nolet, Honigh, Gondry, evenals aan de met min of meer geleerde aanteekeningen en inleidingen voorziene tekstuitgaven van de middeleeuwsche sproke, o.a. door Jonckbloet in 1859 en door Kaakebeen en Ligthart in 1901, zij hier even herinnerd. Terloops kunnen we wijzen op de vertalingen van den oorspronkelijken tekst in het Fransch (Revue blanche), het Engelsch : « The tale of a nun » (The Pageant) en het Hoogduitsch (door Else Berg).

Van meer belang, waar het de vergelijking geldt met het Beatrijs-drama van Felix Rutten, zijn de meer literaire bewerkingen der sproke door den Nederlandschen dichter P. C. Boutens en den Fransch-Belgischen schrijver Maurice Maeterlinck, wiens « miracle en trois actes »: «Soeur Beatrice», in 1901 geschreven, voor het eerst vertoond werd te New-York in den Nieuwen Schouwburg van Central-Park in 1910.

* * *

Het éénige bekende handschrift der oude Beatrijs-sproke berust in de Koninklijke Bibliotheek van den Haag en dagteekent van 1374. Wie haar dichtte bleef onbekend. Maar deze schrijver, wiens naam ons niet door de historie werd overgeleverd, was een waarachtig kunstenaar, die in heerlijken eenvoud de hoogste schoonheid bereikte en, onbewust, een ontroerend meesterwerk schiep vol teere fantasie en broze stemmingen, « suverlike » en vroom : een klare spiegel van het middeleeuwsche mystische gevoelsleven.

Niet door vormschoonheid bereikt de dichter een zoo hoog artistiek peil. Veel meer worden wij bekoord door den inhoud, de psychologische ondergrond van het verhaal en de mystische atmosfeer, welke als een waas de daden der handelende menschen omnevelt.

In een klooster (Rutten heet het Vrouwenperk, en Maeterlinck situeert het nabij Leuven) leeft de vrome en om haar deugd geroemde zuster Beatrijs als kosteres. Zij was -- zegt de onbekende dichter -- « hovesche ende subtijl van zeden » en «men vint ghene noch heden, die haer gelijct, van zeden ende van ghedane» -- zoo mooi was ze. Maar in dit God-gewijde hart leefde het liefdeverlangen. De duivel, die nimmer ophoudt den mensch te belagen, bekoorde ze met « vleescheliker sonde ». En hoe de non ook bad opdat haar broze deugd niet zou bezwijken, toch kon ze niet weerstaan. Aan God bekent zij :

« Ic moet leiden een ander leven; dit abijt moetic begheven. »

Aan den jongeling, dien ze sedert haar twaalfde jaar lief had, zendt ze een brief, opdat hij komen zou tot haar. Door een met traliën-versloten venster van het konvent zien de twee gelieven mekaar. Hun teeder onderhoud is een van de allermooiste en teerste brokken van dit aan subtiele schoonheden zoo overrijke gewrocht. Beiden jonge menschen besluiten tot de vlucht. Over zeven nachten zal de jonker zijn beminde ontvoeren. Hij koopt mooie kleeren en juweelen en gaat de non dan wachten onder den eglantier in den boomgaard van het klooster. Nog voor ze heengaat luidt de kosteres, te middernacht, de metten. Als deze gezongen zijn, bereidt zij zich ter vlucht. Voor ze vertrekt knielt ze voor het Mariabeeld en bidt devotielijk. Ook dit gebed behoort tot het zuiverst-doorvoelde van deze met het teerste mysticisme omwaasde sproke. Men hoeft dit gebed slechts even te vergelijken met het gewild-eenvoudige dat daardoor vast gezwollen schijnt, van de smeeking tot Maria, welke Maeterlinck zijn Beatrijs in den mond legt. Veel mooier en echter, doch lang niet zoo direct treffend en « suverlike » als in het oorspronkelijke is de bede door Beatrijs gestort in het eerste tafereel van Rutten's mysteriespel -- Het noodlot drijft de non tot de min: zij moet de wereld dienen en in zware zonden ten val komen ! -- Beatrijs legt beangst de sleutels der sakristij en kuif en habijt op het altaar der Lieve Vrouw. In haar boetekleed gaat ze naar den jongeling. Hij schonk haar mooie kleederen en «hem dochte, daer si voer hem stont, dat die dach verclaerde ». Toen togen ze heen. Doch reeds dan toonde zich de dorpersche natuur des jongelings, vermits hij, te midden der vrije natuur -- waarvan de schoonheid in enkele, eenvoudige verzen voor ons oog wordt opgetooverd -- voorstelt : « laet ons spelen der minnen spel ». En toch ze heeft hem zoo lief ; zij zegt :

« Waric in hemelrike gheseten ende ghi hier in ertrike, ic quame tot u sekerlicke ! »

-- Zeven jaar leefden ze samen en wonnen twee kinderen. Toen waren des jongelings rijkdommen opgeteerd en welhaast bleef niets hun over, dat ze te gelde maken konden. De man ging heen: hem ghebrac dierste trouwe. Opdat haar kinderen niet zouden sterven van nood en daar zij niet spinnen kon moest zij « gaen buten der stat op tfelt ende winnen met haren lichame ghelt.» -- Zeven jaar leefde zij nu in zonde. Maar alle dagen las zij met trouw de zeven getijden voor Onze Lieve Vrouw, opdat zij uit de zonde zou ontheven worden. Toen nu, sedert heur heengaan uit het klooster, veertien jaar verloopen waren, bleek Beatrijs berouw zoo groot, dat ze nog liever heur leven hadde gegeven dan nog zonden te plegen. Haar valt de gratie ten deel, die gewonnen wordt door allen, welke geen dag laten voorbijgaan zonder de Moedermaagd te aanroepen. -- Hier zij er terloops op gewezen hoe de kern van deze sproke zuiver godsdienstig is. De reeds in de Middeleeuwen zoo sterke Maria-cultus wordt er in zijn gevolgen in verheerlijkt. De macht van het gebed als opperst genademiddel en de bijzondere kracht van het Ave-Maria om de voorspraak der Moedermaagd bij God te verkrijgen, wordt door het exempel van Beatrijs bewezen. Later wijst de in-vrome dichter op de noodzakelijkheid der oorbiecht voor hen, die de goddelijke genade willen deelachtig worden. Al deze speciaal-godsdienstige, en wel bepaald Roomsch-katholieke elementen, wekken om het gebeuren een zeer bizondre atmosfeer en drukken op het essentieele mysticisme een eigenaardig ritueel karakter...

Beatrijs doolt over het land tot ze in de nabijheid van haar klooster komt. Zij wordt met heur twee kinderen opgenomen in het huis eener weduwe. Als Beatrijs aan heur gastvrouwe vraagt of het waar is wat zooal verteld wordt over de kosteres van het konvent, die vóór veertien jaar heenging om een zondig leven te leiden, wekt ze de verontwaardiging der weduwe, die den lof maakt van de vrome en voorbeeldig deugdzame Beatrijs. Den nacht brengt de zondige non door in gebed. Een stem heet haar nu naar het klooster terug te keeren, daar zij bij Maria genade vond. Alles zal ze weervinden: heur kleeren, de sleutels der sakristie. --

« Maria es so wel u vrient: si heeft altoes voor u ghedient.»

Maar de onthutste Beatrijs durft de stem niet gelooven. Zij vreest des duivels listen en lagen. Den tweeden en ook den derden nacht hoort ze manende stemmen. Eindelijk gaat ze naar het klooster. Alles vond ze zooals het placht te wezen... Ze luidde de metten als voorheen en het bleek, dat de zusters, die van den dormter kwamen naar het bedehuis, niets vermoedden. Beatrijs' verlaten kinderen werden door de weduwe bij de abdis gebracht en op kosten van het klooster opgevoed. Niemand wist wie ze waren. Op een dag kwam een abt het konvent bezoeken. Toen had Beatrijs een visioen. Zij zag een jongeling met een dood kind in den arm. Hij speelde met een appel. Tot den jongeling sprak de non:

Wat baat het, dat ge dien appel opwerpt voor dit levenlooze kind.

-- Hij antwoordde :

Wat baat het, dat gij vast en bidt, zoo gij uw zonden niet biecht. God kan uw beden niet hooren. Ga, en zeg den abt wat kwaad gij hebt bedreven. --

En zoo deed Beatrijs en kreeg vergiffenis. Het wonder dat Maria wrocht door de plaats der zondige non in te nemen en veertien jaar haar dienst te vervullen werd in den lande nu luide verkond, zonder dat iemand ooit vernam wie de begenadigde zondares was. De kinderen van Beatrijs werden door den abt tot kloosterlingen opgeleid... De slotverzen omschrijven des dichters doel, toen hij de sproke van Beatrijs schreef : De macht toonen van Maria, tot wie we bidden moeten opdat ze onze voorspraak wezen zou in het dal, waar God de wereld richten zal.

* * *

Reeds het enkele overzetten van deze middeleeuwsche Marialegende in ons hedendaagsch proza of in een moderne versmaat kan beschouwd worden als een op een groot adaptatietalent aanspraak makende prestatie, waarbij een volkomen welslagen tot de zeldzame uitzonderingen behoort. Zoo gauw gaan de bekoorlijkheden van het oorspronkelijke hierbij teloor ! De verheven eenvoud, de ontroerende naïeveteit van den oertekst worden gemeenlijk overplast door hetgeen wij thans voor literaire schoonheid houden. Het gaat met de middeleeuwsche legende als met beduimelde vruchten, wier donzigheid verdween. Kunstmatigheid kwam in de plaats van natuurlijkheid. Simpele gracie werd vervangen door optooisel.

Gelukkig bleef de kern onder den bolster van den gewijzigden vorm nog bereikbaar. Maar in de bewerkingen van het middeleeuwsch gegeven door hedendaagsche dichters en dramaturgen bleef zelfs die kern niet onaangetast. Het kinderlijk-religieus voelen van den middeleeuwer kunnen de modernen, zij wezen dan geloovig of niet, maar bezwaarlijk benaderen. Tusschen hen en den legende-dichter uit de veertiende eeuw staat de wetenschap, waaraan zij hun religieus voelen toetsten en dat hen beïnvloedde toen ze hun houding tegenover den godsdienst bepaalden.

De ongeloovige of althans diegene, welke den Roomschen godsdienst verwerpt en dus critisch staat tegenover het mirakel, dat de grondslag vormt van en de mystische kracht schenkt aan de Beatrijslegende, moet zich inwerken in een sfeer, welke ophield die van zijn eigen gevoelsleven te zijn. Wat hij geeft is verbeeldingswerk los staande tegenover zijn eigen innerlijke wereld. Zoo komt hij wellicht tot een compromis van pseudo-christelijke levensziening en de zuiver humanistische filosofie, welke de zijne is. Dit gebeurt bij Maeterlinck, wiens « Soeur Beatrice » een exempel wordt ter illustratie van een tamelijk vaag religieus begrip... Aan het einde van het drama zegt de door uitputting in stervensnood verkeerende Beatrijs:

« Je me suis dit souvent, quand j'étais malheureuse, que si Dieu savait tout il ne punirait pas. »

En nog onbepaalder is de beteekenis der woorden, waarin ieder Maeterlinck's eigen en zeer vage opvattingen erkent:

«J'ai vécu dans un monde où je ne savais pas ce que voulaient et la haine et la méchanceté, et je meurs dans un autre où je ne comprends pas où veulent en venir la bonté et l'amour. »

We bewegen ons hier langs de subtiele en beweeglijke grenslijn waar leven en dood ineenvloeien. Een geliefkoosd thema van Maeterlinck, die gaarne de raadselachtige diepten peilt der oneindigheid van het immateriëele leven na het sterven. Maar wat heeft hij den lezer op een oneindigen afstand van de zoo streng-christelijke, op een wel-omschreven moraal gebaseerde en langs een strak-spannende wijsgeerige lijn zich bewegende Beatrijs-legende afgevoerd !

Het is natuurlijk dat een geloovig dichter, zooals Felix Rutten, heel wat meer kans heeft om het wezen van de middeleeuwsche sproke te eerbiedigen. Doch het religieus voelen van den modernen mensch verschilt zoo oneindig veel van het heelemaal in den dienst van God opgaande sentiment der geloovigen uit de veertiende eeuw, dat er beslist genialiteit noodig is om de eigenaardige mystische atmosfeer der oorspronkelijke Beatrijs-legende te bewaren in een naar de eischen van het hedendaagsch tooneel bewerkte drama. Het godsdienstig gevoel der katholieke dichters van dezen tijd werd gevoed en gesterkt door de studie van metafisiek en apologetiek... De betrekkingen van mensch tot God zijn minder direkt dan voorheen ! Een Guido Gezelle kon zijn theologie vergeten toen hij stond tegenover de natuur, die hem de veropenbaring bleek van Gods verscheidenheid in het oneindige. Felix Rutten's fantasie wordt in toom gehouden door zijn dogmatiek. Hij voelt streng religieus, doch het deel der onbewustheid in dit besef is nietig, wanneer men het vergelijkt bij dit van den middeleeuwer, wiens geloof eigenlijk schier zuivere intuïtie was.

Het is klaarblijkelijk, dat in moderne bewerkingen van een Marialegende noodlottig den middeleeuwschen geest in het gedrang zal komen -- soms zelfs verraden worden !

Ondertusschen is de algemeen-humanitaire idee, die -- zooals we hooger aantoonden, -- uitgangspunt en grondslag vormt van Maeterlinck's drama, het eenig waardeerbare in zijn « Soeur Beatrice ». Dit mysteriespel is veel meer een profanatie dan wel een adaptatie van de aloude sproke, waarvan alleen de feiten werden bewaard. De wijding, die van het middeleeuwsche meesterwerk uitgaat, is verdwenen. De eenvoud werd vervangen door een schoonheid van twijfelachtig allooi, vermits ze alles dankt aan klatergouden uiterlijkheid. Misschien zouden we de Beatrijs van Maeterlinck kunnen genieten indien daar niet was de oorspronkelijke legende, waarvan de simpelheid subliem blijkt te zijn vergeleken bij den gewilden eenvoud -- simplicité de procédé ! -- van den Fransch-Belgischen dichter, wiens stuk overvloeit van pseudo-Vlaamsch mysticisme voor de exportatie geschikt gemaakt.

Maeterlinck's Beatrice laat zich ontvoeren door prins Bellidor en dit geeft aanleiding tot een romantisch tooneel dat erg modern aandoet niet het minst wijl de liefde, die de non vervoert, niet gevoeld wordt als een onontkoombare noodlottigheid, maar bijna lijk een zuiver wereldsch verlangen.

In het tweede bedrijf wordt het mirakel aanschouwelijk voorgesteld. De toeschouwer ziet hoe Maria den dienst van de zondige non verricht, wier afwezigheid dan door niemand gemerkt wordt en van wie bovendien een grooten roep van heiligheid uitgaat. In het middeleeuwsche poëma is het miraculeuse voortdurend aanwezig als een latente kracht, waarvan we weten dat ze werkzaam is, overal en altijd, zonder dat we meer zien dan de uitwerksels welke ze wrocht. Om dat wonderbare en bovenmenschelijke voor te stellen heeft Maeterlinck een heel arsenaal van tooneel-middeltjes en effekten van doen. Zoo stelt hij voor het mirakel van de vermenigvuldiging der kleederen ; de zuster lijkt heelemaal gekleed als de Moeder-Maagd en er gaat licht van heur uit; er geschiedt een ander wonder -- rozen vullen de kerk ten allen kante -- als de nonnen de godvergeten Beatrijs, die, naar zij meenen, zich met de kleeren van het beeld der H. Maagd tooide, willen kastijden. Dit zijn allemaal tooneelwonderen, waarin de schermenzetters en regisseurs het grootste aandeel hebben ! In de middeleeuwsche sproke blijft het mirakel steeds innerlijk werkzaam.

De derde akte brengt Beatrijs' terugkeer en openbare biecht, die, natuurlijk, door niemand wordt geloofd. Zij wordt integendeel voor een heilige gehouden. Met dit verwarde bedrijf wordt de afstand, die het drama scheidt van den oertekst nog aanzienlijker. De verhouding van Maria tot de afvallige non blijft duister. Beatrijs wordt door het mirakel terneergedrukt. Maria is hier niet, zooals in de legende, de moeder vol van gratie, de bron van genade, de « fonteyne boven alle wiven ». De godsdienstige atmosfeer van de christelijke voorstelling werd verdrongen door het valsch-pathetische van opera-mysticisme...

Verdedigbaar is de stelling, die Beatrijs doet aanzien voor het instrument van het wonder, dat Maria's macht moet doen blijken. Maar bij Maeterlinck werd dit alles te zeer veruiterlijkt.

Van een zelfde standpunt ging Max Reinhardt uit, die de sproke van Beatrijs ineenzette als gebarenspel. « The Miracle » werd opgevoerd in de groote Olympia-Hall te Londen. Ook hier werd aan de Maria-figuur, die door Maria Garmi werd gecreëerd, de grootste aandacht geschonken.

De gelukkigste bewerking yan de Beatrijs-legende lijkt ons nog altijd die van den Noord-Nederlandschen dichter P. C. Boutens. Van den ridder, die in het hart der non het minnevuur ontstak, hooren we maar terloops en over het wereldsch leven der zuster wordt niet gerept. Het door Maria-gewrochte wonder overglanst het heele vers, dat gedegen is door eenvoud -- den eenvoud, zooals wij, moderne menschen, dien verstaan en die in-zich-zelf beschouwd, nog altoos een literair sieraad is. Want de eenvoud van het oorspronkelijk gedicht blijkt toch anders : Deze heeft minder te danken aan kunst en vaardigheid en veel meer aan het simpele wezen van den dichter zelf.

* * *

Het gaat niet op het drama van Felix Rutten te vergelijken met het poëma van Boutens. De tooneelschrijver moet aan heel andere eischen voldoen dan de dichter !

Trouw volgde de dramatist de handeling van de oude legende, wier hoofdmomenten de kern werden der verschillende tafereelen. Het tweede bedrijf, welke een aanschouwelijke voorstelling is van de ontrouw des jongelings -- hier ridder Valentijn --ontsproot heelemaal aan de fantasie van den dichter, vermits in de oorspronkelijke legende, de minnaar heengaat wijl gebrek voor de deur staat. Bij Rutten is Valentijn niets meer dan een wufte ridder, en, bovendien, een tamelijk bleeke en erg conventioneel geteekende figuur. Een verleider naar oude schablonen !

Ook niet de Maagd treedt op het voorplan. De mirakuleuze onderstroom, die de handeling in den oorspronkelijk ken tekst draagt, werd ingedijkt. Hij is niet meer het levende water, dat opborrelt en zingt en het heele gebeuren doordrenkt !

Het Maria-wonder werd herleid tot zijn eenvoudigste expressie terwijl het zuiver menschelijke element uit de legende, hier is uitgesponnen tot een drama in vier tafereelen. Het bovennatuurlijke blijkt bijzaak, ook al wordt het niet volkomen verdrongen en al blijft het waren om de actie in drie van de vier tafereelen. Doch het mystieke waas dekt de handeling niet meer geheel ; het wordt af en toe uiteengerukt, zelfs uitgerafeld. De schoone eenvoud is weg en wordt vervangen door uiterlijkheden. De moderne geest, de moderne psychologie omwoekeren het middeleeuwsche gegeven. Beatrijs werd een mystisch drama, geschreven door een godsdienstig dichter, wiens oogen de pracht zagen van het verheven rituaal in de R. K. kerken. Wel wist hij, hier en daar, te temperen, de kleuren een matteren glans te geven. Maar de middeleeuwsche atmosfeer van het oorspronkelijke benaderde hij maar heel zelden. Daarvoor is zijn vers te modern, én door rhythme én bijwijlen door preciositeit van woordkeus. Ten slotte mogen we ons wel afvragen, of onze waardeering voor Rutten's spel niet grooter, en vooral, niet onbevangener zijn zou, indien het niet was de bewerking van een weergaloos meesterwerk.

* * *

« In deze bewerking » -- zoo oordeelt Bierens de Haan wel wat absoluut in het Noord-Nederlandsche tijdschrift « Onze Eeuw » -- ontbreekt alle mystisch besef.»

Veel juister lijkt ons het volgende : « Het Maria-Wonder wordt er voorgedragen als een historische waarschijnlijkheid en heel de toon mist datgene waardoor de handeling grootsch zou zijn : het magische.

De toon van 't gedicht is psychologisch zooals voor historische drama's voegt en het vergeluid is aesthetisch, maar niet diep.

Reeds van in het eerste tafereel, dat in de kloostersacristie speelt, blijkt hoe dit als een mysterie-bedoelde spel feitelijk groeit tot een zuiver-psychologisch drama. Het bovennatuurlijke element, dat niet volkomen ontbeerd kan worden, krijgt menschelijker verhoudingen. In een tamelijk lang monoloog, onderbroken door het in- en uitgaan van tuinman en medezusters, beredeneert Beatrijs haar geval : heur gevoel is sterker dan haar wil. Zij ondergaat het fatale der liefde -- net als in het oorspronkelijke poëma. De menschelijke zijde der middeleeuwsche figuur wordt ook in Rutten's werk goed belicht. Doch de vroomheid van zijn beeld is zwakker en van een andere essentie dan die van de echt-middeleeuwsche Beatrijs. Toch ontbreekt in het drama de tragiek niet, die veroorzaakt wordt door de wrangheid der tegenstellingen : terwijl de priester bidt: Leid ons niet in bekoring, voelt de non hoe het leven lokt !

De jongeling uit de oude legende, die de geestelijke zuster bekoorde, wijdt niet uit over zijn liefde. En toch, hoe diep voelen wij ze bij de lezing dezer versregels :

« Hem dochte, daer si voer hem stout, dat die dach verklaerde.»

Het liefdeduo, dat Rutten schreef, treft niet zoo zeer. Valentijn de ridder moet Beatrijs' aarzelingen nog overwinnen. Is dit het weifelen niet van den modernen mensch, die bewust blijft van de vrijheid van zijn wil, en denkt, wikt en weegt, vóór hij de beslissende daad waagt, terwijl de middeleeuwer zich stuwen laat door zijn gevoel en berust in hetgeen de beschikking eener hoogere macht heet te zijn ?

Het tweede tafereel, dat zeven jaar later speelt in de zaal van een middeleeuwsch slot, is geheel van schrijvers eigen vinding. Het is de ontwikkeling van enkele, vage versregels uit het oorspronkelijke. Het lijkt wel een tooneel uit een modern overspel-conflict, meer dan een drama van zeer symplistische psychologie. De wufte ridder bekent, dat hij bleef « een onvast wezen dat geen banden veelt» en « een slaaf van breidelloozen lust».

Veel warmer, want inniger, blijkt het derde tafereel, dat speelt in de gelagkamer eener armoedige herberg, waar Beatrijs na zeven jaar van omzwervingen met heur beide kinderen onderdak zocht nu, « de winternacht staat strak en sterrenrijk staroogend over 't wijde witte veld.» De schrijver leidt de aktie nader in de nabijheid van de oude sproke. Stemmen gebieden Beatrijs terug naar het klooster te gaan. Doch zie, de zondige non, ondergaat het wonder niet lijdelijk. Het zwaartepunt van het drama rust op de weifelingen van Beatrijs. We staan weer dichter bij het moderne psychologische tooneelspel dan bij de middeleeuwsche legende. De mystische atmosfeer wordt wel gewekt, doch zij doordrenkt het heele gebeuren niet. Het extatische in Beatrijs' zieletoestand bereikt niet de uiterste spanning, waardoor het verlaten harer kinderen ons zou toeschijnen een heel natuurlijke daad. De gratie, die is het hoofdelement der Roomsch-Katholieke mystiek, voelen we niet aanzweven.

En den dag waarop Beatrijs naar 't klooster terugkeert, viert de gemeente juist de twintigste verjaring harer intrede in het konvent. Aan den priester spreekt de berouwvolle non haar biecht. Zoo wordt het wonder verklaard. Gedurende de veertien jaren, dat Beatrijs afwezig was, nam de H. Maagd heur plaats in. Ook dit tafereel groeit niet boven de verhoudingen van het gewoon-menschelijke uit. Het wonder voltrekt zich buiten de akteerende personen om en dringt ook niet door tot de innigheid van toeschouwer of lezer !

Wat in Rutten's drama schier onvoorwaardelijke bewondering afdwingt is de taal, die klankrijkdom paart aan sterkte van plastische beelding.


Items that may be related to this text

  1. ◼◼◻◻◻ Lode Monteyne: Herman Teirlinck: "I... 1926
    Maurice Maeterlinck • Felix Rutten • beatrijs • drama • (author) Lode Monteyne • heur • legende • (date-month) 1926-00 • leven • middeleeuwsche sproke • middeleeuwsche • Beatrijs • (date-year) 1926
  2. ◼◻◻◻◻ Karel Van de Woestijne: TOONEEL IN VLAANDERE... 1925-02-23
    Maurice Maeterlinck • Felix Rutten • legende • lieve vrouw • Beatrijs • beatrijs
  3. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Jac. Ballings: "Van ... 1928
    Maurice Maeterlinck • (author) Lode Monteyne • Guido Gezelle • lieve vrouw • Beatrijs • maria
  4. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Jef Horemans: "Slang... 1926
    drama • (author) Lode Monteyne • atmosfeer • (date-month) 1926-00 • (date-year) 1926
  5. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Ernest W. Schmidt: "... 1926
    drama • (author) Lode Monteyne • (date-month) 1926-00 • leven • (date-year) 1926
  6. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Gaston Martens: "Het... 1926-04-11
    drama • (author) Lode Monteyne • leven • kinderen • (date-year) 1926
  7. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Tolstoj: "Het levend... 1926
    drama • (author) Lode Monteyne • (date-month) 1926-00 • leven • (date-year) 1926
  8. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Herman Teirlinck: "D... 1926
    Maurice Maeterlinck • leven • (author) Lode Monteyne • drama • (date-month) 1926-00 • (date-year) 1926
  9. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Lode Baekelmans: Ove... 1926
    Maurice Maeterlinck • (author) Lode Monteyne • (date-month) 1926-00 • leven • (date-year) 1926
  10. ◼◻◻◻◻ Lode Monteyne: Het mystieke tooneel... 1926
    (author) Lode Monteyne • Guido Gezelle • (date-month) 1926-00 • (date-year) 1926