Archief Etcetera


De locatie zou een park kunnen zijn...



De locatie zou een park kunnen zijn...

jan joris lamers

over zijn ideale

theatergebouw

De locatie zou een park kunnen zijn, in een liefst heuvelachtige, en alleszins natuurlijke omgeving. In Nederland zou dat bij wijze van spreken een polderlandschap kunnen zijn.

Het theater ligt in een kom; als die er niet is, wordt ze in het landschap uitgegraven. Eén verdieping zit onder de grond, de tweede ligt in de kom. Dat zijn de kleedkamers, de voorzieningen, de onderkant van het toneel. De vloer van de zaal ligt op de hoogte van de randen van de kom. Straten lopen van de heuvelruggen het theater in. Bruggen dus.

Het is een groot rechthoekig gebouw zonder afkantingen. Aan de buitenkant ziet het eruit als een hal, een volkomen ergonomische glazen kast, met betonnen of metalen staanders. Verbronsd staal of zo.

Het hele bouwwerk is van glas en bestaat uit drie schillen: een buiten-glazen gevel, een binnen-glazen gevel en nog een binnen-glazen gevel. Driedubbel thermisch geïsoleerd en helemaal transparant.

Er zijn twee zalen: de twee tonelen liggen met de rug tegen elkaar. Daartussen: een grote verschuifbare wand die naar boven – misschien wel door het gebouw heen – kan worden opgetrokken.

Het gebouw is overal even hoog. Boven het toneel zit een ruimte zo hoog als een kap van een schouwburg. Behoorlijk hoog dus.



Langs de buitenkant kan iedereen gewoon op verschillende verdiepingen van het gebouw lopen. Het publiek kan op verschillende verdiepingen zitten en de techniek ook. Vanuit de benedenverdieping zijn er veertig, vijftig plekken om in de zaal te komen.

In principe loopt de vloer helemaal gelijk met de vloer van de zaal. Geen niveauverschil, één vlakke vloer van voren naar achteren. Je kan in de zaal een tribune neerzetten of de hele vloer eruithalen, hem één verdieping naar beneden laten, zodat je naar conventioneel toneel kan kijken.

De drie glazen wanden houden het geluid tegen: van binnen naar buiten, van buiten naar binnen. De ruimte kan ook helemaal donker gemaakt worden. Alles verduisterd. Maar ook op het toneel is alles van glas. Deze schouwburg is niet gebonden aan wanden. Alleen de vloerpanelen zouden bij wijze van spreken vast moeten zijn. Maar misschien zijn die ook wel transparant. Zodat je, als in een 18de-eeuwse schouwburg, alles van onderuit kan belichten. Je kan heel gemakkelijk spelen in een glazen zaal...

Het gebouw is niet afhankelijk van techniek: geen hydraulische situaties, geen electrische voorzieningen. Alles werkt mechanisch via hefboomtechnieken, trekken, gewichten en contra-gewichten. Allemaal gebaseerd op oude toneelmachines. Alles handmatig verplaatsbaar. Een gebouw dat in alle omstandigheden, in elke situatie gebruikt kan worden; niet beperkt tot één doel, zeker niet tot theater.

Door dat glazen gebouw kan je bepaalde voorstellingen van alle kanten bekijken. Zoals in de zomer in Italië, amateurvoorstellingen op een marktplein: vanop grote afstand zie je wat er gebeurt, je kan urenlang staan kijken zonder er iets van te verstaan.

Toen ik begon met theatermaken was een van mijn grote fascinaties dat theaters, schouwburgen altijd zo stoffig waren en of dat nou nodig was. De ergonomie van die grote lichte ruimtes kan het theater een totaal nieuw elan geven. Een combinatie van de ideale 18de-eeuwse back-to-back-stage en van alle moderne verworvenheden. Het gebouw moet alle moderne én klassieke mogelijkheden hebben. Eigenlijk is het een heel grote toneelmachine. Een gebouw waarin je alles kunt. Een expositieruimte of een station, het maakt niks uit. Een architecturaal statement in een stedelijke omgeving.

Eén ding is erg bijzonder en essentieel aan deze tijd: dat die hele toneelkunst zo'n introspectief karakter heeft. Een naar binnen geslagen situatie. In Das Spiel vom Fragen stelt Handke dat ook aan de orde en toch blijkt hij van elk exterieur een interieur te maken. Het zijn allemaal naar binnen getrokken naturen: het is allemaal ‘Bildung'. Het zou geweldig zijn om Das Spiel vom Fragen in zo'n glazen huis te spelen: je zou alle decors buiten kunnen plaatsen. Het hele stuk om de schouwburg heen spelen.

Eigenlijk bouw ik een kathedraal. Al die dingen van vroeger, van je katholieke achtergrond zitten daar natuurlijk in. Pasen in Wenen, zondagochtend om halfacht, de stad heel vroeg, helemaal stil. En dan de klokken van de Stefanskirche. We gaan naar binnen. De kathedraal is helemaal vol mensen. En dan komen er bisschoppen met grote mijters uit de zijkant. Ze gaan de kerk door naar het altaar toe. Een jonge kardinaal in het rood. Op het orgel een mis van Haydn. Dan denk je: kijk, dat is die onvoorstelbare transparantie van de betere voorbeelden van de katholieke eredienst. Je hoeft je niet op één ding te concentreren; je kunt overal kijken, alles combineren.

Misschien is dit gebouw ook een schip, zo'n groot Portugees schip. Grote schepen zijn eigenlijk ook een soort kathedralen. Vroeger dacht ik nog: er moet een rivier onder dat gebouw. Dan is het helemaal een schip: niet een schip dat vaart, maar een schip waar de zee doorheen glijdt.

Interview afgenomen door Elske van de Hulst en Marianne Van Kerkhoven in Amsterdam op 20 mei 1992. Oorspronkelijk gepubliceerd in: Theaterschrift 2, The written space

Volledig artikel als PDF

Auteur Jan Joris Lamers

Publicatie Etcetera, 2001-03, jaargang 19, nummer 75, p. 8-9

Trefwoorden gebouwschipglazenvloergevelspielkathedraalfragenhelemaalbuitenkant

Namen AmsterdamDas Spiel vom FragenElske van de HulstHandkeHaydnItaliëMarianne Van KerkhovenNederlandPortugeesStefanskircheWenen


Development and design by LETTERWERK